Habitus overwegend ridderzwam-achtig: relatief forse paddestoelen met een meestal niet hygrofane hoed, die fijn tot grof radiair vezelig of schubbig is. Microscopisch wordt deze groep gekenmerkt door het bezit van opvallende cheilocystiden, die meestal flesvormig (lageniform) tot pionvormig (tibiiform) zijn, met een zwak tot duidelijk afgescheiden knopje aan de top. Gespen zijn meestal rijkelijk voorhanden. Hoedhuid is een trichoderm van relatief wijde hyfen met intracellulair pigment. |
![]() ![]() |