BESCHRIJVINGEN VAN DE SOORTEN
Suillus luteus (L.: Fr.) Roussel - Bruine ringboleet
Kleurenplaten: Arnolds & Veerkamp, Gids voor de paddenstoelen in het meetnet: 112. 1999; Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 47. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 97, fig. 26, 27; pl. 16, no. 20. 1996; Galli, Boleti: 75. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 214. 1981.
Beschrijving
Hoed 25-110 mm, halfbolvormig tot gewelfd, met ingerolde later geknikte rand, roodbruin, soms gelig bruin
of met iets grijze tint in het roodbruin, uniform van kleur, sterk kleverig bij vocht, glanzend als
gepolijst bij droogte, glad. Buisjes aangehecht bij jonge exemplaren, later duidelijk aflopend op de steel,
recht tot boogvormig aangehecht, tot 15 mm lang; poriën klein, luteus type, rondachtig, met zelfde kleur als
buisjes. Steel 40-70 x 12-20 mm, cilindrisch tot knotsvormig, met grote, witte, vliezige ring, die aan de
onderzijde kleverig is, wit tot bleek rossig geel boven de ring, roodbruin met wit vilt bekleed onder de
ring, met fijne klierpuntjes, vooral in het bovenste deel boven de ring. Vlees wit tot gelig, soms wat
roze gemarmerd, bruin in de schors van de steel, niet verkleurend bij doorsnijden. Geur onopvallend.
Smaak mild. Geur zwak fruitig.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend bij 2-naaldige dennen (Pinus sylvestris, P. nigra), bij voorkeur in jonge aanplanten in een open bostype met weinig humus op zure zandgrond zoals op stuifzanden en in de duinen en hier en daar in de flevopolders. Wijdverspreid, maar sterk achteruitgaand en bedreigd. Zie ook Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 86. 1995.
De Bruine ringboleet is een karakteristieke paddestoel die niet gemakkelijk met andere soorten van het geslacht kan worden verward. De Valse melkboleet heeft min of meer dezelfde kleur en kan in dezelfde habitat voorkomen, maar is gemakkelijk te onderscheiden door het ontbreken van een ring. Echter, bij oude exemplaren van de Bruine ringboleet kan de ring ook vrijwel zijn verdwenen. Dan kan de roze kleur van het vilt aan de voet van de steel bij de Valse melkboleet uitkomst bieden.
br>
Hoewel de Bruine ringboleet in sommige landen veel gegeten wordt, is dit niet geheel zonder risico.
Er blijkt nl. dat nogal veel mensen allergische reacties vertonen na het eten van de Bruine ringboleet,
hetgeen zich uit in tamelijk ernstige ingewandsstoornissen. Ook is van deze soort gemeld dat het eten ervan
verschijnselen zou kunnen oproepen die sterk doen denken aan die van het zgn. Paxillus-syndroom.
Voor een beschrijving van dit ziektebeeld zie de discussie bij de Gewone krulzoom.
Suillus granulatus (L.: Fr.) Roussel - Melkboleet
Kleurenplaten: Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 45. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 123: fig. 37, 38; pl. 11, no. 13. 1996; Galli, Boleti: 85. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 217. 1981.
Beschrijving
Hoed 20-80 mm, jong kegelvormig-halfbolvormig, uitspreidend tot gewelfd met iets ingebogen rand,
levendig bruin met rosse tint, uniform van kleur, sterk kleverig tot slijmerig bij vocht, glad,
glanzend bij droogte. Buisjes iets aflopend op steel, tot 10 mm lang, geel met kleine, gele poriën,
tot 1 mm doorsnede; bij jonge, verse exemplaren scheiden de buisjes overvloedig een wittige,
melkachtige vloeistof af. Steel 40-70 x 8-14 mm, cilindrisch of naar voet versmallend, geel,
droog, met iets donkerder klierpuntjes, vooral in het bovenste deel. Vlees geelachtig, niet
of nauwelijks verkleurend bij doorsnijden. Geur onopvallend. Smaak mild.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met Grove den, Pinus sylvestris, in naald- en gemengde bossen op droge zandige of lemige bodem. Niet algemeen, vooral in de duinstreek en op de pleistocene gronden. Wijdverspreid in Europa. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 84. 1995.
De Melkboleet wordt gekenmerkt door de karakteristieke afscheiding van een melkachtige substantie door de poriën, vooral bij jonge verse exemplaren is de waterige melk als grote druppels onder de hoed zichtbaar. De Valse melkboleet doet dat veel minder duidelijk, soms vrijwel niet, en heeft doorgaans een donkerder hoed. Ook heeft de Valse melkboleet een rozeachtig vilt aan de basis van de steel.
Suillus collinitus(Fr.) O. Kuntze - Valse melkboleet
Syn.: Suillus fluryi Huijsm.
Kleurenplaten: Kleurenplaten: Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 43. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 107-108: fig. 29-31; pl. 8, no. 10. 1996; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 215. 1981 (als S. fluryi).
BeschrijvingHoed 50-130 mm breed, convex met ingerolde rand, iets uitspreidend bij ouderdom, roodbruin, vrij duidelijk straalsgewijs vezelig tot gevlamd, kleverig bij vocht. Buisjes aflopend op de steel, tot ongeveer 9 mm lang, geel tot kaneelkleurig; poriën kleiner dan 1 mm, okergeel, soms, maar meestal niet of onduidelijk, melk afscheidend. Steel 30-60 x 20-30 mm, cilindrisch, iets naar voet versmallend, citroengeel aan de top, naar de voet roodbruin vezelig gestreept op lichtere ondergrond, met donkerder klierpuntjes, basis van de steel met rozeachtige tot wijnkleurige viltige bekleding. Geur onopvallend. Smaak mild.
Ecologie en verspreidingmycorrizavormend met 2-naaldige dennen (Pinus sylvestris, P. nigra), op droge, iets kalkhoudende zandgrond; zeldzaam in de duinen en Flevoland. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 83. 1995.
Deze soort is ook bekend onder de naam S. fluryi Huijsm. Verwisseling met de Gele ringboleet is mogelijk op grond van de hoedkleur, maar laatstgenoemde soort heeft een goed ontwikkeld velum in de vorm van afhangende resten aan de hoedrand en een ring aan de steel.
Suillus placidus (Bonord.) Sing. - Ivoorboleet
Kleurenplaten: Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 48. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 111, fig. 32, 33; pl. 20, no. 24. 1996; Galli, Boleti: 83. 1998; Marchand, Champ. Nord Midi 1: pl. 68. 1971.
BeschrijvingHoed 30-90 mm, gewelfd dan uitspreidend met ingerolde rand, wittig met gelige of rozebruine vlekken, vooral bij ouderdom, kleverig bij vocht, glad. Buisjes aflopend, tot 7 mm lang; poriën klein, tot 1.5 mm doorsnee, grauw-gelig bruin. Steel 30-70 x 6-10 mm, meestal iets naar de voet verbreed en dan abrupt versmald aan de voet, bleek als hoed, met soms iets violetgrijze tinten, met donkerder, violetgrijze klierpuntjes. Vlees wit in steel, lichtgeel in de hoed, donker cadmiumgeel in de steelvoet. Geur iets zurig. Smaak onbeduidend.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met aangeplante 5-naaldige dennen (Pinus strobus) in bossen en parken op zand- en leemgrond. Zeer zeldzaam, mogelijk uitgestorven, voor het laatst aangetroffen in 1968 in het Spanderswoud bij Hilversum. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 88. 1995.
De Ivoorboleet is een gemakkelijk te herkennen boleet met zijn bleke kleur en duidelijk gestippelde steel. Het is een paddestoel die bij ons uitsluitend voorkomt bij de aangeplante 5-naaldige Noord-Amerikaanse Weymouthden, Pinus strobus, in bossen en parken. Hoewel de soort een aantal malen in Nederland is aangetroffen, is hij toch zeldzaam en is in de laatste 30 jaar niet gevonden. Wat de oorzaak daarvan is weet ik niet. Volgens een mondelinge mededeling van de Franse boletenkenner Guy Redeuilh is de soort niet zeldzaam in de Parijse parken, waar Pinus strobus veel is aangeplant. Van nature komt de Ivoorboleet voor bij de in de Alpen inheemse Pinus cembra en is daar niet zeldzaam. In het laagland van Europa komt de soort alleen voor bij aangeplante 5-naaldige dennen. De Ivoorboleet heeft een heel wijde verspreiding op het hele noordelijk halfrond en wordt vermeld van Europa, Siberië, Japan en Noord-Amerika.
Suillus flavidus(Fr.: Fr.) Presl. - Moerasringboleet
Kleurenplaten: Breitenbach. & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 44. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 85: fig. 22; 87, fig. 23, pl. 10, no. 12. 1996; Galli, Boleti: 73. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 215. 1981.
BeschrijvingHoed 40-70 mm, gewelfd tot vlak, meestal met duidelijke kegelvormige umbo met ingerolde rand, bleek zwavelgeel tot bleek geelbruin, vaak met roestbruine vlekken bij ouderdom, kleverig bij vocht. Buisjes aflopend op de steel, tot 9 mm lang, vuil goudgeel met zwakke olijftint; poriën groot, hoekig, geel. Steel 40-80 x 4-9 mm, cilindrisch, vaak naar de voet versmald, bleekgeel tot bleekbruin, met vergankelijke ring, wrattig met klierpuntjes boven de ring, onder de ring vezelig tot bijna viltig. Vlees vuilgeel in hoed, goudgeel in de steeltop. Geur onbeduidend. Smaak mild.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met Grove den (Pinus sylvestris) op natte, venige grond, vaak tussen veenmos (Sphagnum). Zeldzaam aangetroffen vóór 1962 in het oostelijk deel van het pleistoceen district, nu als uitgestorven beschouwd. In Europa wijdverspreid, ook bij Pinus mugo in de Alpen, maar overal zeldzaam. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 83. 1995.
Suillus grevillei(Klotzsch: Fr.) Sing. - Gele ringboleet
Kleurenplaten: Arnolds & Veerkamp, Gids voor de paddestoelen in het meetnet: 111. 1999; Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 46. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 79: fig. 19; 81, fig. 20, 21; pl. 13, no. 15. 1996; Galli, Boleti: 67. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 216. 1981.
BeschrijvingHoed 40-150 mm, kegel- tot halfbolvormig dan gewelfd met umbo, met ingebogen rand, levendig goudgeel tot roodachtig bruin, iets bleker naar de rand, glad, slijmerig bij vocht, glanzend bij droogte, met aan de rand afhangende resten van het velum. Buisjes aangehecht tot aflopend, recht, 4-11 mm lang, geel, met onregelmatige, tot 1 mm grote, gelijkgekleurde poriën van het luteus type, die bruin verkleuren bij kneuzing. Steel 35-70 x 10-17 mm, cilindrisch of met opgezwollen voet, met grote, witte, vliezige ring; onder de ring met rossige vezelige bekleding die soms bijna een net vormt op een bleekgele ondergrond, zonder klierpuntjes. Vlees geel, vaak duidelijk blauwverkleurend bij doorsnijden. Geur onopvallend. Smaak mild.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met lariks in naald- en gemengde bossen op humusrijke, zandige of lemige bodem. Niet algemeen, voornamelijk in de pleistocene districten, waar hij vaak in grote groepen te vinden is langs wegen en bosranden, zeldzaam in de duinstreken en de Flevopolder. Kaart Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 85. 1995. Wijdverspreid voorkomend in het hele verspreidingsgebied van lariks op het Noordelijk halfrond.
De Gele ringboleet is een heel karakteristieke paddestoel en de meest algemene Suillus-soort bij lariks in Nederland. De vondst in 1969 van de Witte ringboleet, Suillus hololeucus Pantidou (Wildervanck, 1970) in Haren, prov. Groningen, is mogelijk niets anders dan een albinovorm van de Gele ringboleet, temeer daar deze collectie ook een witte sporenfiguur bleek te hebben. Albinovormen zijn binnen boleten wel meer vermeld. Zo staat er in het boek van Engel et al. (1996) een mooie foto van een albinovorm van de Bruine ringboleet, onder de naam Suillus luteus f. albus. De 'echte' Witte ringboleet, Suillus hololeucus, is alleen met zekerheid bekend van de oorspronkelijke vondst (de zgn. type-locatie) in Griekenland, waar het mogelijk ook een albinovorm van S. grevillei betrof.
Suillus laricinus(Berk.) O. Kuntze - Grauwe ringboleet
Syn.: Suillus viscidus (L.: Fr.) Roussel; Suillus aeruginascens (Secr.) Snell.
Kleurenplaten: Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 53. 1991(als S. viscidus); Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 73: fig. 16, 17; pl. 26, no. 30. 1996 (als S. aeruginascens); Galli, Boleti: 61. 1998 (als S. viscidus); R. Phillips, Paddest. Schimm.: 217. 1981 (als S. aeruginascens).
BeschrijvingHoed 30-90 mm, kegelvormig tot gewelfd met ingebogen dan rechte rand, bleek grijsoker, vaak met groenige of olijfkleurige tinten bij ouderdom of kneuzing; glad, sterk slijmerig bij vocht, bij opdrogen min of meer vezelig wordend; aan rand met aanhangende velumresten. Buisjes aflopend op steel tot aan de ring; recht of buikig, tot 10 mm lang, bleek bruin, blauwverkleurend bij kneuzing; met tot 1 mm grote, bleek bruine poriën die blauwverkleuren bij kneuzing. Steel 60-90 x 10-20 mm, cilindrisch met een smalle, vergankelijke wat slijmerige ring; bleekbruin, bijna wit onder de ring met vezelig tot schubbige bekleding; met wit vilt aan de voet. Vlees wit tot grijs, langzaam grijsblauw verkleurend bij doorsnijden. Geur iets zurig. Smaak mild.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met lariks in gemengde bossen en parken op tamelijk droge, voedselrijke en vaak iets kalkhoudende zandige bodem. Zeer zeldzaam, na 1986 slechts éénmaal gerapporteerd. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 81 1995. Wijdverspreid en lokaal algemeen in Noord-Europa en in de Alpengordel van Centraal-Europa.
Over de correcte naam van de Grauwe ringboleet bestaat enige discussie. Het lijkt erop, dat uiteindelijk de naam Suillus viscidus (L.: Fr.) Roussel zal worden geaccepteerd als de juiste naam.
Suillus tridentinus(Bres.) Sing. - Roestrode ringboleet
Kleurenplaten: Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 69, fig. 14, 15; pl. 24, no. 28. 1996; Galli, Boleti: 69. 1998.
BeschrijvingHoed 20-70 mm, kegelvormig dan uitspreidend tot gewelfd, met of zonder umbo, met ingerolde dan ingebogen rand, levendig oranjerood of oranjegeel met blekere rand, vezelig tot viltig, bij vochtig weer iets verslijmend, jong geheel bedekt met velum, later met aan de hoedrand afhangende velumresten. Buisjes aflopend op steel tot aan de ring, oranjegeel als hoed, met onregelmatig hoekige, 1-2 mm grote, gelijkgekleurde poriën. Steel 50-70 x 10-16 mm, cilindrisch of met verbrede voet, kleur als hoed, met smalle, iets vliezige tot slijmerige ring of ringvormige zone; vrijwel glad onder de ring. Vlees rossig geel. Geur onduidelijk, iets zurig. Smaak mild.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met lariks op kalkrijke grond. Niet uit Nederland bekend, zelden aangetroffen in de Eifel en de Ardennen. Wijdverspreid en lokaal algemeen in de Alpen.
De Roestrode ringboleet is een typische montane soort met een opvallend uiterlijk. Het is een van de mooiste Suillus-soorten. Ik heb hem in dit overzicht opgenomen omdat deze soort uit België en het westen van Duitsland is gerapporteerd (Krieglsteiner, 1991; Vandeven et al., 1996).
Suillus variegatus(Sw.: Fr.) Rich. & Roze. - Fijnschubbige boleet
Kleurenplaten: Arnolds & Veerkamp, Gids voor de Paddestoelen in het meetnet: 113. 1999; Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 52. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 139: fig. 43; pl. 25, no. 29. 1996; Galli, Boleti:79. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 217. 1981.
Beschrijving
Hoed 40-200 mm, gewelfd tot vrijwel vlak met ingebogen tot rechte rand, gelijkgekleurd of met lichtere rand, geheel olijfbruin fijnwrattig tot fijnschubbig op iets blekere, geelbruine tot olijbruine ondergrond, droog tot zwak kleverig bij vochtig weer. Buisjes aflopend op steel, olijfgeel, recht of zwak buikig, tot 15 mm lang, met kleine, minder dan 1 mm grote, hoekige, gelijkgekleurde poriën. Steel 40-110 x 15-25 mm, cilindrisch met iets opgezwollen of juist versmalde voet, met dezelfde kleur als de hoed of iets bleker, fijnviltig, opbrekend in kleine wratachtige schubjes als de hoed, bij ouderdom iets vlokkig wordend. Vlees wit tot citroengeel of oranje, niet of blauwverkleurend bij doorsnijden. Geur tamelijk sterk, wat zurig. Smaak niet onaangenaam, wat melig.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met den en spar op arme, zure zandgrond. Vroeger waarschijnlijk algemeen, nu sterk achteruitgegaan en zeldzaam, met name in het waddendistrict, in de IJsselmeerpolders en op het Pleistoceen. Wijdverspreid in geheel Europa. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 87. 1995.
Van de Fijnschubbige boleet is ook een vorm bekend met een gele hoed, die echter in Nederland nooit is aangetroffen.
Suillus bovinus(L.: Fr.) Roussel - Koeienboleet
Kleurenplaten: Arnolds & Veerkamp, Gids voor de paddestoelen in het meetnet: 110. 1999; Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 42. 1991; Engel et al., Schmier-Filzröhrl. Eur.: 131: fig. 40, 21; pl. 6, no. 7. 1996; Galli, Boleti: 81. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 215. 1981.
BeschrijvingHoed 30-100 mm, halfbolvormig tot gewelfd met ingerolde rand, tenslotte uitgespreid met onregelmatig golvende, vaak iets overhangende rand, okerbruin, roze-oranje tot oranjegeel, glad, slijmerig bij vocht, glanzend bij droogte. Buisjes aflopend, boogvormig tot recht, tot 9 mm lang, olijfgeel dan bruingeel met grote grove, hoekige, onregelmatige, gelijkgekleurde poriën (boletinus-type). Steel 20-70 x 6-15 mm, cilindrisch, met dezelfde kleur als de hoed, glad tot fijngestreept, droog, zonder klierpuntjes, met wit tot bleek roze vilt aan de voet. Vlees wit bleekbruin, blauwgroen verkleurend bij doorsnijden. Geur iets zurig or fruitig. Smaak mild.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met Grove den, Pinus sylvestris, vaak samen met de Roze spijkerzwam, Gomphidius roseus, in jonge aanplanten en in volwassen naald- en gemengd bos, vaak langs paden en bosranden op droge, voedselarme zandgrond. Tamelijk algemeen op de pleistocene zandgronden en in de duinen, matig algemeen in de Flevopolders. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 82. 1995. Wijdverspreid in geheel Europa.
|