kaalkopjesbanner"
INHOUD
inleiding

kenmerken

tabel

overzicht van de soorten


INLEIDING
Op deze pagina wordt een overzicht gegeven van de kaalkopjes" uit de sectie Psilocybe. Dat zijn de soorten met relatief kleine sporen, die op de grond of op plantaardige resten, maar zelden of nooit op mest groeien. Ze verkleuren nooit blauw, en bezitten geen hallucinogene stoffen. Het zijn dus geen "paddo's" en je kunt er niet high van worden

Omdat er nogal wat verwarring in deze groep paddestoeltjes bestond, vooral wat betreft de afgrenzing en naamgeving van de soorten het ik er samen met Sebastiaan Verduin afgelopen jaren veel naar gekeken. De resultaten zijn gepubliceerd in een aantal wetenschappelijke artikelen(zie literatuurlijst)

EIGENSCHAPPEN VAN KAALKOPJES:

1. Hoedoppervlak. Veel kaalkopjes hebben een kleverige hoed. Het is van groot belang om vast te stellen of je die kleverige hoedhuid er in zijn geheel af kunt trekken als een dun, doorschijnend vliesje. Zo'n hoedhuid noem je aftrekbaar

2. Aan- of afwezigheid van een velum, dat bij volwassen exemplaren zichtbaar kan zijn als fijnevlokjes aan de hoedrand en ook vaak als vezels op de steel, die zelden ook een ringetje vormen. Soms is het hoedoppervlak geheel met velum bedekt als een fijn poederig tot vezelig laagje.

3. De kleur van de plaatjes bij rijpheid. De sectie Psilocybe valt uiteen in twee groepen. De groep van P. inquilinusheeft dunwandige en in massa daardoor vrij bleke sporen. De plaatjes zijn aanvankelijk bleek bruin en worden warm bruin bij rijpheid vande sporen. Bij de tweede groep, die van P. montana zijn de sporen dikwandig en hebben de plaatjes van rijpe exemplaren een donkere violetbruine tint.

4. Sporen onder het microscoop: behalve de afmetingen speelt ook de vorm een belangrijke rol. Bij veel soorten zijn de sporen afgeplat, and bestaat een verschil tussen de breedte in voor- en de breedte in zijaanzicht. Naarmate de sporen sterker afgeplat zijn, zul je naar verhouding meer sporen in vooraanzicht zien in een microscopisch preparaat. Bij het ruitsporig kaalkopje, P. phyllogena loop het percentage sporen in vooraanzicht in eeen preparaat op tot wel 90 %! naar boven

TABEL TOT DE EUROPESE SOORTEN

1. Habitus als een schelpje zittend op het substraat of met een kort, zijdelings steeltje (Crepidotoid) 2
1. Habitus met een slanke, centraal aangehechte steel, min of meer als een Mycena 3
2. Hoed leerachtig, droog, niet doorschijnend gestreept, na uitdroging weer oplevend; op hout of kunstmatige substraten,zoals oude kranten, kokosmatten, e.d. Leerkaalkopje,
P. horizontalis
2. Hoed zacht, niet leerachtig, kleverig, doorschijnend gestreept; op grassen, zeggen en russen, soms op kruidachtige planten Schelpkaalkopje,
P. philipsii
3. Soorten met kleine sporen, 5.5-7.0 µm lang 4
3. Soorten met grotere sporen 5
4. Sporen (vrijwel) zonder kiempore; velum afwezig Kleinporig kaalkopje, P. micropora
4. Sporen met duidelijke kiempore; hoedrand en vaak ook steeltop met velumresten Droog kaalkopje, P. xeroderma
5. Groeiend op mest én sporen altijd langer dan 10 µm 6
5. Op grassen, kruiden, of op hout, niet of zelden op mest, dan sporen altijd aanzienlijk korter dan 10 µm 10
6. Velum aanwezig in de vorm van een ringetje of ringvormige zone aan de steel en soms ook als vlokjes aan de hoedrand 7.
6. Velum afwezig 9.
7. Sporen in vooraanzicht ovaal, zonder hoeken Keutelkaalkopje, P. merdicola
7. Sporen in vooraanzicht zeshoekig 8.
8. Ringzone vezelig, vaak in onderste deel van de steel; sporen 11.0-12.5 x 7.5-9.0 x 7.0-8.0 µm Meststropharia, P. merdaria
8. Ringzone vliezig, zelden vezelig, meestal in bovenste deel van de steel; sporen 13-17 x 8.5-11 x 7.5-9.5 µm Geringd mestkaalkopje, P. moelleri
9. Sporen in vooraanzicht zeshoekig, 10-14 µm lang Mestkaalkopje, P. coprophila
9. Sporen in vooraanzicht ovaal, 15-19 µm lang Grootsporig mestkaalkopje, P. subcoprophila
10. Soorten met sporen die gemiddeld tussen de 7 en 9 µm lang zijn 11.
10. Soorten met sporen die meer dan dan 9 µm lang zijn 23.
11. Pleurocystiden talrijk; hoed en steel fijn vlokkig; sporen sterk afgeplat, vaak ruitvormig in vooraanzicht Vlokkig kaalkopje, P. flocculosa
11. Pleurocystiden afwezig 12.
12. Sporen dunwandig of met iets verdikte wand, lamellen bleek 13.
12. Sporen duidelijk verdikt, lamellen donker purperbruin tot zwartbruin bij rijpheid 17.
13. Hoedhuid volledig aftrekbaar als een dun, doorschijnend vliesje; sporen vaak mijter- tot ruitvormig in vooraanzicht 14.
13. Hoedhuid niet of slechts gedeeltelijk aftrekbaar; sporen vaak ellipsoid tot eivormig in vooraanzicht 15.
14. Op dode resten van grassen en/of zeggen; velum meetal wienig uitgesproken, en bij volwassen exemplaren alleen zichtbaar aan de hoedrand; sporen gemiddeld 7.8-8.6 µm lang Halmkaalkopje, P. inquilinus
14. Op dode houtresten; velum overvloedig aanwezig aan hoedrand en steel; sporen gemiddeld 6.0-7.6 µm lang Franjekaalkopje,
P. crobula
15. Velum overvloedig als een gordijn dat hoed en steel verbindt, later als vlokjes langs de hoedrand; sporen vaak met uitgetrokken top; tussen Carex in subalpine moerassen Alpenkaalkopje
P. velifera
15. Velum, indien aanwezig, dan niet als een vlokkige rand aan de hoed én op andere plaatsen groeiend 16
16. Velum vrijwel afwezig; op grasresten op voedselrijke plaatsen; sporen duidelijk afgeplat Graskaalkopje,
P. subviscida var. subviscida
16. Velum overvloedig aanwezig over de hele hoed, vooral bij jonge exemplaren; in grasland; sporen niet duidelijk afgeplat Kastanjekaalkopje,
P. castanella
17. Vrijwel alle sporen in vooraanzicht mijter tot ruitvormig 18.
17. Sporen in vooraanzicht eivormig, of in minder dan 50% van de gevallen mijter- tot ruitvormig 20.
18. Hoed kleverig, glad in het centrum, aan de rand vaak met velumresten Ruitsporig kaalkopje,
P. phyllogena
18. Hoed droog, vezelig tot vlokkig met velumresten 19.
19. Zonder pleurocystiden Kaskaalkopje,
P. rhomboidospora
19. Met pleurocystiden vergelijk P. flocculosa
20. Hoed met duidelijk velum, meestal als vlokjes op en aan de rand 21.
20. Hoed zonder velum 22.
21. Tussen mossen, meestal op arme zandige bodem, vooral in het laagland Zandkaalkopje,
P. montana
21. Parasitair op Polytrichum in de alpine zone Sneeuwkaalkopje,
P. chionophila
22. Op voedselrijke plaatsen op plantaardige resten, ook op stro en oude mest; cheilocystiden toegespitst Tonsuurkaalkopje
P. subviscida var. velata
22. in vochtige graslanden op zure bodemvaak tussen mossen; cheilocystiden geknopt Zompkaalkopje, P. magica.
23.Hoed droog Grootsporig zandkaalkopje, P. montana var. macrospora
23. Hoed kleverig met aftrekbare hoedhuid 24.
24. Sporen 8.5-11 x 4.5-6.5 µm, met matig verdikte wand; op houtsnippers en dode naaldhoutstronken P. tenax
24. Sporen 8.5-12 x 6.0-7.5 x 5.5-6.5 µm, met zeer dikke wand; tussen helm in de buitenduinen en in schrale graslanden op zure, zandige bodem Helmkaalkopje
P. pratense

OVERZICHT VAN DE SOORTEN VAN SECTIES PSILOCYBE EN COPROPHILAE

sectie Psilocybe

P. inquilinus
P. crobula
P. castanella
P. subviscida var. subviscida
P. subviscida var. velata
P. velifera
P. montana var. montana
P. montana var. macrospora
P. chionophila
P. micropora
P. xeroderma
P. magica
P. phyllogena
P. rhomboidospora
P. flocculosa
P. pratensis
P. tenax
P. philipsii
P. horizontalis

sectie Coprophilae

P. coprophila
P. moelleri
P. merdaria
P. merdicola
P. subcoprophila


Literatuur

Boekhout, T. & al. in press. Noordeloos, M.E. 1999. Strophariaceae. In Bas & al., (ed.) Flora agaricina neerlandica, vol. 4. Balkema.
Noordeloos, M.E. 2001. Studies in Psilocybe sect. Psilocybe. Österreichische Zeitschrift f. Pilzkunde 10: 115-181.