Het ondergeslacht Nolanea is soorten en vormenrijk. De habitus van een typische
Nolanea is die van een Mycena: een dunvlezige, kegelvormige tot uitgespreide hoed, vaak
met een bultje (papil) in het midden, een min of meer rechte rand, opstijgende plaatjes,
en een relatief lange, dunne steel. Microscopisch kenmerkt deze groep zich vooral door
de structuur van het trama, dat uit lange (tot 200-300 µm) spoelvormige elementen
bestaat. Natuurlijk zijn er uitzonderingen op de regel, en zijn soms soorten met een
collybioid of omphalioid uiterlijk in Nolanea opgenomen. Microscopisch is
de groep ook divers, en kun je verschillende typen cystiden en pigmentatie tegen komen.
De sporen zijn nooit kubus- of stervormig (zie sectie Staurospora in ondergeslacht
Inocephalus). |
sect. NolaneaHabitus slank,met een
relatief lange steel. De lamelsnede is meestal geheel steriel met cilindrisch of slank
knotsvormige, vaak ook zwak geknopte cheilocystiden. Pigmenten in de hoedhuid overwegend
geïncrustreerd, soms daarbij ook intracellulair. Gespen altijd aanwezig.
Soorten: E. hirtipes (Schum.: Fr.) Mos.; E. hebes (Romagn.) Trimbach;
E. kuehnerianum (Kühner) Noordel.
|
E. hirtipes |
|
sect. PapillataHabitus slank,
met een relatief lange steel. Pigment in de hoedhuid geïncrustreerd, soms in
combinatie met intracellulair pigment. Cystiden vaak afwezig. Gespen vrijwel
altijd aanwezig.Soorten: E. papillatum (Bres.) Dennis; E. clandestinum
(Fr.: Fr.) Noordel.; E. kerocarpus Hauskn. & Noordel.; E. lucidum (Orton)
Mos.; E. sericeonitens (Orton) Noordel.; E. proterum Noordel. & Wölfel;
E. violaceovernum Noordel. & Wölfel; E. ortonii Arnolds & Noordel.;
E. cuspidiferum Kühn. & Romagn. ex Noordel.; E. juncinum (Kühn. & Romagn.
) Noordel.; E. nitens (Velen.) Noordel.; E. reginae Noordel. &
Chrispijn; E. minutum (Karsten) Noordel.; E. favrei Noordel.; E. tenellum (Favre)
Noordel.; E. pygmaeopapillatum Arnolds & Winterhoff; E. sericeum (Bull.
ex) Quél. ; E. sericeoides (J. Lange) Noordel.; E. pseudosericeoides
Noordel. & Hauskn.; E. ameides (Berk. & Br.) Sacc. ; E. sacchariolens
(Romagn.) Noordel. ; E. vernum Lundell; E. tibiicystidiatum Arnolds &
Noordel. ; E. riedheimensis Noordel. & Enderle.; E. sphaerocystis
Noordel. |
 E. cuspidifer |
 E. nitens |

E. kerocarpus |
 E. reginae |
|
sect. EndochromonemaDe naam van de
sectie, Endochromonema verwijst naar het intracellulaire pigment dat kenmerkend is voor
deze sectie. De sectie, die rijk aan soorten is, wordt onderverdeeld in een aantal
subsecties die als volgt zijn te onderscheiden:
- hoed glad; hoedhuid een cutis
- met opvallend groengele tinten
- met cheilocystiden
- subsect. Cheilocystidiati
- zonder cheilocystiden; steel vezelig
- subsectie Endochromonemaa
- zonder cheilocystiden; steel gepolijst
-
hoed vooral in het centrum fijn vezelig-wollig; hoedhuid een tirchoderm
|
Soorten:
- Subsectie Endochromonema: (Fr.:
Fr.) Mos.; E. farinogustus Arnolds & Noordel.; E. calthionis Arnolds &
Noordel.; E. ventricosum Arnolds & Noordel.; E. cuneatum (Bres.) Mos.;
E. pallescens (Karsten) Noordel.; E. lanuginosipes Noordel.;
E. occultopigmentatum Arnolds & Noordel.; E. testaceum (Bres.) Noordel.;
E. dolorosum Noordel. & Wölfel
- Subsectie Cheilocystidiata: E. velenovskyi Noordel.; E. pratulense
Noordel.;E. langei Noordel. & Borgen; E. magnaltitidinis Noordel. & Senn-
Irlet ; E. cryptocystidiatum Arnolds & Noordel.; E. inutile (Britz.)
Noordel.; E. globuliferum Noordel.
- Subsectie Infularia: E. infula (Fr.: Fr.) Noordel.; var. infula; var.
chlorinosum (Arnolds & Noordel.) Noordel.; E. solstitiale (Fr.) Noordel.;
E. verecundum (Fr.: Fr.) Noordel.
- Subsectie Icterina: E. pleopodium (Bull. ex DC: Fr.) Noordel.; E. chlorophyllum
Noordel.; E. ambrosium (Quél.) Noordel.
- Subsectie Tristia: E. triste (Velen) Noordel.; E. undulatosporum
Arnolds & Noordel.; E. winterhofii Wölfel & Noordel.
|
 E. chlorophyllum |
 E. pallescens |
 E. solstitiale |
sect. FernandaeDe sectie Fernandae wordt
gevormd door een klein groepje soorten dat afwijkt van de meeste Nolanea soorten door
het feit dat de hoedhuid geen simpele cutis is, maar een gedifferentieerde overgang
tussen een cutis en een trichoderm van vaak iets knotsvormige eindcellen. Het pigment
is ook heel karakteristiek: zowel duidelijk geincrustreerd als korrelig-intracellulair.
Alléén al op grond van deze combinatie kun je een soort uit deze groep meteen herkennen
! Daar bij zijn gespen afwezig. Als je in termen van afstamming denkt, dan kun je in
deze groep een overgang zien naar het ondergeslacht Pouzarella. Weliswaar is
die groep verder geëvolueerd met een nog uitgesprokener hoedhuid, vaak grote sporen
en cystiden, maar er zijn min of meer intermediaire soorten beschreven uit gebieden
buiten Europa. De sectie Fernandae bestaat uit een klein groepje, nauw verwante
soorten uit meeste schrale graslanden. Veel ervan kwamen aan het licht tijdens het
onderzoek van Eef Arnolds in graslanden in Drenthe in de jaren zeventig (Arnolds, 1983,
Arnolds & Noordeloos, 1979)
Soorten: E. fernandae (Romagn) Noordel.; E. defibulatum Arnolds &
Noordel.; E. xanthocaulon Arnolds & Noordel.; E. cuniculorum Arnolds &
Noordel.; E. acidophilum Arnolds & Noordel.
E. argenteostriatum Arnolds & Noordel.; E. kristiansenii Noordel
|
 E. acidophilum, hoedhuid |
 E. acidophilum, hoedhuid

E. acidophilum, hoedhuid |
sect. CanosericeiOok deze
sectie bevindt zich aan de marge van ondergeslacht Nolanea met zijn gedifferentieerde
hoedhuid van opstijgende hyfen, waardoor het hoedoppervlak een glimmerig-harig
uiterlijk krijgt, en de grote cheilocystiden. In tegenstelling tot sectie Fernandae
zijn gespen aanwezig, en is het pigment overwegend diffuus intracellulair, met
daarnaast ook fijne incrustaties in de hoedhuid. Er is enige gelijkenis met de sectie
Versatilia in ondergeslacht Pouzarella.
Soorten: E. canosericeum (J.Lange) Noordel.; E. amicorum Noordel.
|