Ondergeslacht Leptonia

terug naar hoofdpagina indeling

klik op de foto's voor een grotere afbeelding!

Het ondergeslacht Leptonia is gekenmerkt door een collybioïde of omphalioïde, zelden tricholomatoïde habitus. Het grootste deel van deze groep wordt gevormd door de Staalsteeltjes: kleine paddestoeltjes met een staalgrijze tot blauwe, gladde en gepolijste steel, die veel in graslanden voorkomen. Leptonia wordt in vier secties onderverdeeld:

  • gespen aanwezig
    • habitus collybioïd of tricholomatoïd; hoedhuid een cutis met overgangen naar een trichoderm van radiair verlopende, gesepteerde hyfen met intracellulair en soms ook geïncrustreerd pigment; steel vaak vezelig tot schubbig; cheilocystiden, indien aanwezig, niet opvallend en van dezelfde grootte als de basidiën
    • habitus collybioïd of omphalioïd; hoedhuid een cutis met overgangen naar een trichoderm, opgebouwd uit (sterk) opgezwollen eindcellen met intracellulair pigment; steel meestal aangedrukt vezelig tot glad; cheilocystiden, indien aanwezig, vaak groot,ver buiten het hymenium uitstekend en flesvormig
  • gespen afwezig
    • cheilocystiden, indien aanwezig, knotsvormig, cilindrisch, min of meer even groot als de basidiën

Sectie Leptonia

De soorten binnen deze sectie hebben een hoedhuid van lange, gesepteerde hyfen, die meestal duidelijk opstijgend zijn en de kleine trichodermale schubjes vormen op de hoed. Soms is hier geïncrustreerd pigment aanwezig naast het voor de sectie gebruikelijke intracelulaire pigment. Een deel van de soorten groeit op hout of houtresten in bossen, een ander deel in graslanden.

Soorten: E. euchroum (Pers.: Fr.) Donk; E. dichroum (Pers.: Fr.) Kumm.; E. tjallingiorum Noordel.; E. alnetorum Monthoux & Rollin; E. austriacum Courtecuisse; E. allochroum Noordel.; E. violaceozonatum Noordel. & Liiv; E. wynnei (Berk. & Br.) Sacc.; E. callichroum Horak & Noordel.; E. lampropus (Fr.: Fr.) Hesler; E. placidum (Fr.: Fr.) Noordel.; E. coelestinum (Fr.) Hesler; E. lepidissimum (Svrcek) Noordel.; E. juniperinum Barkman & Noordel.; E. beyeri Noordel. & Wölfel; E. insidiosum Noordel.; E. cedretorum (Romagn. & Riousset) Noordel.

tjallingiorum
E. tjallingiorum
placidum
E. placidum [FR]
callichroum
E. callichroum [FR]
alnetorum
E. alnetorum [AH]
allochroum
E. allochroum [HK]

Sectie Griseorubida

Deze sectie valt uitéén in twee groepen:
  • Sectie Griseorubida met sporen ruim boven de 10 µm lang
  • Sectie Parvisporae met sporen beneden de 10 µm lang

Soorten: E. indutoides (P.D.Orton) Noordel. met var. indutoides, var. griseorubidum (Kühn. ex Noordel.) Noordel., Wölfel & A.Hauskn. en var. pleurocystidiatum Noordel., Wölfel & A.Hauskn.; E. cocles (Fr.) Noordel.; E. calaminare Noordel.; E. griseoxanthopus Courtecuisse; E. farinasprellum Arnolds; E. politoflavipes Noordel. & Liiv; E. sordidolamellatum Noordel. & Enderle; E. olivaceotinctum Noordel.; E. weholtii Noordel.

Sectie Cyanula

Deze groep is het meest in het oog vallend. Het zijn paddestoelen met vaak opvallende kleuren: blauw, roze, geel, bruin, met vaak een gladde steel. De groep met een staalgrijze tot blauwe, gladde, gepolijste steel wordt Staalsteeltjes genoemd. Ze groeien vaak in groepen bij elkaar in graslanden, vaak in associatie met Wasplaten (Hygrocybe) in halfnatuurlijke vegetaties (Hygrophorusweiden). Een opvallend kenmerk van deze groep is het voorkomen van vaak heel talrijke olie-achtige druppeltjes in de hyfen van het trama. Deze druppeltjes, die door Romagnesi "granules brilliantes" werden genoemd, maken het soms moeilijk om de hyfen god te bestuderen. Op de onderstaande microfoto van de hoedhuid met onderliggend trama van Entoloma leochromus zijn die druppeltjes goed te zien, evenals de typische struktuur van de hoedhuid: een overgang tussen een cutis en een trichoderm, van sterk opgezwollen eindcellen met intracellulair pigment.

ent leochromus pp

De sectie is opgedeeld in een groot aantal stirps:

  • Stirps Serrulatum. Lamelsnede donkerblauw tot bijna zwart, gekarteld tot gewimperd, sterk afstekend tegen de zijden van de plaatjes.

    Soorten: E. serrulatum (Fr.: Fr.) Hesler; E. caesiocinctum (Kühner) Noordel.; E. querquedula (Romagn.) Noordel.; E. carneogriseum (Berk. & Br.) Noordel.; E. linkii (Fr.: Fr.) Noordel.; E. callirhodon A.Hauskn. & Noordel.

  • Stirps Griseoviridulum. Steel blauwgroen, vezelig; lamelsnede steriel, niet gekleurd.

    Soort: E. griseoviridulum Courtecuisse

  • Stirps Chalybaeum. Hoed en steel blauw tot violet; plaatjes jong blauw, later vuilroze.

    Soorten: E. chalybaeum (Fr.: Fr.) Noordel. met var. chalybaeum en var. lazulinum (Fr.) Noordel.; E. cruentatum (Quél.) Noordel.; E. cyaneoviridescens (P.D.Orton) Noordel.

  • Stirps Cyanulum. Hoed en steel blauw; hoed doorschijnend gestreept tot het centrum, vrijwel glad, met uitzondering van het fijnschubbig centrum; lamelsnede fertiel of steriel, niet gekleurd.

    Soorten: E. cyanulum (Lasch: Fr.) Noordel.; E. caesiellum Noordel. & Wölfel.; E. pseudocoelestinum Arnolds

  • Stirps Corvinum. Hoed en steel blauw tot violet; hoed gewoonlijk niet doorschijnend gestreept, geheel fijn vezelig schubbig tot sterk schubbig; plaatjes wit dan roze met gelijkgekleurde, fertiele of steriele snede; steel vezelig of gepolijst, nooit duidelijk schubbig.

    Soorten: E. corvinum (Kühner) Noordel.; E. mougeotii (Fr.) Hesler; E. viiduense Noordel. & Liiv; E. caeruleum (P.D.Orton) Noordel.; E. nigroviolaceum (P.D.Orton) Hesler; E. aethiops (Scop.) Stev.; E. melanochroum Noordel.; E. atrocoeruleum Noordel.

  • Stirps Klofacianum. Hoed en steel blauw tot grijsviolet; sporen klein, isodiametrisch, soms bijna kubusvormig.

    Soort: E. klofacianum Noordel., Wölfel & A.Hauskn.

  • Stirps Incanum. Steel en vaak ook hoed met gele tot olijfgroene tinten; vlees, vooral in de steel, blauwgroen verkleurend bij kneuzing.

    Soort: E. incanum (Fr.: Fr.) Hesler

  • Stirps Roseum. Hoed en vaak ook steel met roze tint; hoed doorschijnend gestreept; steel glad als gepolijst.

    Soorten: E. roseum (Longyear) Hesler; E. catalaunicum (Sing.) Noordel.; E. ianthinum (Romagn. & Favre) Noordel.

  • Stirps Ursulae. Hoed met violetblauwe schubjes op een roze ondergrond; lamelsnede violet-roze; steel blauw met wit vezelige bekleding, verkalend dan gepolijst aandoend.

    Soort: E. ursulae Noordel., Wölfel & A.Hauskn.

  • Stirps Roseotinctae. Hoed grijsroze, niet doorschijnend gestreept; steel grijs, glad en gepolijst.

    Soort: E. roseotinctum Noordel. & Liiv

  • Stirps Asprellum. Hoed geelbruin, bruin, roodbruin of grijsbruin, zonder blauwe of violette tinten, duidelijk doorschijnend gestreept, ook in jonge stadia; steel blauw, violet of staalgrijs, gepolijst.

    Soorten: E. asprellum (Fr.: Fr.) Fayod; E. lividocyanulum Noordel.; E. huijsmanii Noordel.; E. lepiotosme (Romagn.) Noordel.; E. allospermum Noordel.; E. mutabilipes Noordel. & Liiv; E. sodale Noordel.; E. poliopus (Romagn.) Noordel. met var. poliopus, var. discolor Noordel. en var. parvisporigerum Noordel.; E. glaucobasis Noordel.; E. porphyrogriseum Noordel.

  • Stirps Anatinum. Hoed bruin, grijs, roodbruin, zwartbruin, zonder blauw of violet, niet doorschijnend gestreept, geheel fijn vezelig, wollig of schubbig; steel met vezelige bekleding tot schubbig.

    Soorten: E. anatinum (Lasch: Fr.) Donk; E. scabrosum (Fr.) Noordel.; E. griseocyaneum (Fr.: Fr.) Kumm.; E. viaregale Noordel.; E. coeruleoflocculosum Noordel.

  • Stirps Porphyrofibrillum. Hoed en steel porfierkleurig; vezelig-schubbig.

    Soort: E. porphyrofibrillum Noordel.

  • Stirps Exile. Hoed bleek, gelig-grijzig tot bijna wit, glad, met een contrasterend donkerbruin tot bijna zwart, fijnschubbig centrum; plaatjes wit dan bleekroze; steel blauwgrijs of staalgrijs, soms met groenige tinten; glad, gepolijst.

    Soorten: E. exile (Fr.: Fr.) Noordel. met var. exile en var. fertile Noordel., Wölfel & A.Hauskn.; E. chloropolium (Fr.) Mos.

  • Stirps Formosum. Hoed en steel geel, geelbruin of roodbruin; steel glad, gepolijst.

    Soorten: E. formosum (Fr.: Fr.) Noordel.; E. xanthochroum (P.D.Orton) Noordel.; E. sphagnorum (Romagn. & Favre) Noordel.

  • Stirps Rufocarneum. Hoed rood, niet doorschijnend gestreept; steel rood, glad, gepolijst; cheilocystiden afwezig.

    Soort: E. rufocarneum (Berk.) Noordel.

  • Stirps Queletii. Hoed okerkleurig, jong en vers vaak met violette tot paarsroze tint; cheilocystiden aanwezig.

    Soorten: E. queletii (Boud.) Noordel.; E. kervernii (Guern.) Mos.

  • Stirps Sarcitulum. Hoed en steel vaalgeel tot geelbruin, nooit zo levendig van kleur als in stirps Formosum, hoed vaak zwak hygrofaan en doorschijnend gestreept; steel glad en gepolijst.

    Soorten: E. longistriatum (Peck) Noordel. met var. longistriatum, var. microsporum (Noordel.) Noordel. en var. sarcitulum (P.D.Orton) Noordel.; E. atromarginatum (Romagn. & Favre) Zschieschang; E. ochromicaceum Noordel. & Liiv

  • Stirps Leochromus. Vruchtlichaam geelgrijs; hoed niet hygrofaan, niet doorschijnend gestreept.

    Soort: E. leochromus Noordel. & Liiv

  • Stirps Turci. Hoed en steel donker bruin, vaak met grijze of rode tinten, nooit levendig van kleur, niet hygrofaan, niet tot zwak doorschijnend gestreept, fijnschubbig of wollig; steel grijsbruin tot geelgrijs, glad en gepolijst of met fijne vezeltjes.

    Soorten: E. turci (Bres.) Mos.; E. pseudoturci Noordel.

  • Stirps Scabropelle. Hoed schubbig, vaak met afstaande schubjes; steel sterk vezelig, niet gepolijst; cheilocystiden afwezig.

    Soort: E. scabropellis Noordel.

Sectie Rhamphocystotae

Deze sectie valt op door haar grote meestal sterk buiten het hymenium uitstekende cheilocystiden.

Soorten: E. rhynchocystidiatum Noordel. & Liiv; E. uranochroum Noordel. & Hauskn.

uranochroum
E. uranochroum [MM]
fotos op het web: Entoloma catalaunicum Entoloma longistriatum (foto Y. Deneyer)