1. Gyroporus cyanescens (Bull.: Fr.) Quél. - Indigoboleet
Kleurenplaten: Breitenbach. & Kränzlin., Pilze Schweiz 3: pl. 30. 1991; Galli, Boleti: 45. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 207. 1981.
Kenmerken

Hoed 40-100 mm, gewelfd met iets ingebogen rand, bleek crème tot vuil okerkleurig, soms met groenige tint, dof, droog, fijn wollig-vezelig over het hele oppervlak. Buisjes aangehecht, buikig, wittig tot bleek oker; poriën klein, licht, bleker dan hoed. Steel 30-90 x 15-40 mm, gedrongen, cilindrisch, kleur als hoed, met fijnviltig oppervlak, hol met voor de soort zeer karakteristieke holtes. Vlees wit, sterk indigoblauw verkleurend bij kneuzing, daarna weer gedeeltelijk ontkleurend. Alle delen van de paddestoel verkleuren sterk indigoblauw bij kneuzing, een verkleuring die na verloop van tijd weer gedeeltelijk wegtrekt.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met beuk en eik, soms ook den, in jonge bossen en aanplanten op erg voedselarme, droge, zure grond, vaak bij verspreidstaande bomen op (voormalige) stuifzanden, vaak met een groot deel van de steel in het zand stekend. Zeldzaam, vooral op de Veluwe en in de provincie Utrecht, sterk achteruitgaand en bedreigd. Kaart in Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 77. 1995.
2. Gyroporus castaneus (Bull.: Fr.) Quél. - Kaneelboleet
Kleurenplaten: Breitenbach & Kränzlin, Pilze Schweiz 3: pl. 29. 1991; Galli, Boleti: 43. 1998; R. Phillips, Paddest. Schimm.: 207. 1981.
Kenmerken
Hoed 20-70 mm, halfbolvormig tot gewelfd met ingerolde dan rechte rand, vaal roodbruin, mat, droog, fijn plucheachtig viltig, vooral in het centrum. Buisjes aangehecht of uitgebocht aangehecht, tot 5 mm lang, vrijwel wit tot strogeel; poriën klein, hoekig, crème tot bleekgeel, bruinrood verkleurend bij kneuzing. Steel 20-70 x 10-30 mm, cilindrisch, spoel- of knotsvormig, bleek crème aan de top, naar de basis toe roodbruin als hoed of donkerder, mat, droog, plucheachtig viltig als hoed, hol. Vlees wit, niet verkleurend. Geur en smaak onopvallend.
Ecologie en verspreidingMycorrizavormend met loofbomen, voornamelijk Zomereik, vooral in lanen en wegbermen onder oude bomen op vochtige tot droge, zand- of leemgrond. Tamelijk zeldzaam in de binnenduinrand en op het Pleistoceen. Sterk achteruitgaand en bedreigd met uitsterven. Kaart Nauta & Vellinga, Atl. Ned. Paddest.: 76. 1995.
|