Ondergeslacht Entoloma

terug naar hoofdpagina indeling

klik op de foto's voor een grotere afbeelding!

Vruchtlichamen tricholomatoid en vlezig (secties Entoloma, Nolanidea en Rhodopolia, minder vaak collybioid of omphalioid (secties Polita en Turfosa). Hoed glad, al dan niet hygrofaan. Hoedhuid een cutis of ixocutis van smalle, 2-10 µm wijde hyfen met intracellulair of, minder vaak (ook) geincrustreerd pigment. Cystiden komen slechts bij uitzondering voor en als er cheilocystiden zijn, dan zijn ze meestal simpel van vorm en niet veel langer dan de basidiën. Vlees (trama) van hoed en plaatjes opgebouwd uit relatief korte elementen (bijv. 40-100 x 5-15 µm). Gespen meestal talrijk in alle weefsels. Er worden 5 secties onderscheiden:

sect. Entoloma

Hoed meestal niet hygrofaan, niet gestreept. Voorkomend in herfst. Hiertoe behoren de grootste onder de satijnzwammen, zoals de Giftige satijnzwam, E. sinuatum en de Blauwe molenaarsatijnzwam, E. bloxami . De meeste soorten zijn (waarschijnlijk) ectomycorrhiza-vormers met loof- en naaldbomen.

Soorten: E. prunuloides, (Fr.: Fr.) Quél. ; E. sinuatum (Bull. ex Pers. ) Kumm.; E. bloxamii (Berk. & Br.) Sacc.; E. nitidum Quél.; E. moserianum Noordel.; E. rubellum (Scop.) Gillet.; E. viridans (Fr.) Karst.; E. luteobasis Ebert & E. Ludwig; E. olidum Noordel.

Zin in iets exotisch? Entoloma hochstetteri uit Nieuw Zeeland, gevonden op website www.uoguelph.ca/~gbarron

prunuloides E. prunuloides sinuatum E. sinuatum bloxami
E. bloxami

E. rubellum

sect. Rhodopolia: bossatijnzwammen

De De hoed is meestal hygrofaan, en de paddestoelen zijn vaak minder dikvlezig dan in de vorige sectie het geval is. Een typische vertegenwoordiger van deze groep is de Stinksatijnzwam, E. nidorosum, die samen met de Groezelige satijnzwam, E. sordidulum en de Moerasbossatijnzwam, E. sericatumtot de meest algemene soorten van ons land behoort. Het is één van de mest problematische groepen satijnzwammen, waarin veel soorten worden onderscheiden maar waarin de variabiliteit ook erg groot lijkt te zijn. Ook deze groep soorten vormen naar alle waarschijnlijkheid mycorrhiza met loof- en naaldbomen.

Soorten: E. rhodopolium (Fr.: Fr.) Kumm.; E. lividoalbum (Kühn. & Romagn.) Kubicka; E. griseoluridum (Kühn.) Mos.; E. rubrobasis Noordel.; E. speculum (Fr.) Quél.; E. leucocarpum Noordel.; E. subradiatum (Kühn. & Romagn.) Mos.; E. alnobetulae (Kühner) Noordel.; E. alpicola (Favre) Noordel.; E. subsepiaceum (Kühner) Noordel.; E. brassicolens (Reid) Noordel.; E. transvenosum Noordel.; E. kallioi Noordel.; E. sphagneti Niveau; E. inusitatum Noordel., Enderle & Lammers; E. myrmecophilum (Romagn.) Mos.; var. myrmecophilum en var. coalescens Noordel. & Luhmann; E. venosum Gillet; E. gerriae Noordel.; E. sericatum (Britz.) Sacc.; E. pseudoexcentricum (Romagn.) Kreisel; E. majaloides Orton; E. sordidulum (Kühn. & Romagn.) Orton; E. atrosericeum (Kühner) Noordel.; E. bipelle Noordel. & Borgen; E. borgenii Noordel.; E. philocistis Hauskn. & Noordel.; E. subarcticum Noordel.

lividoalbum E.lividoalbum lividoalbum E. lividoalbum noordeloos E. noordeloosi E. inusitatum
E. inusitatum [HK]
E. myrmecophilum var coalescens
E. myrmecophilum var. coalescens

sect. Nolanidea: voorjaarssatijnzwammen

Hoed niet of wel hygrofaan, en dan meestal ook iets of duidelijk doorschijnend gestreept aan de rand. Voorkomend in het voorjaar, meestal in associatie met leden van de Roosfamilie: vruchtbomen als appel en peer, sleedoorn, meidoorn; of bij Iep. Deze groep van zg. voorjaarssatijnzwammen is heel karakteristiek. De vroegste soort is de Zilverige satijnzwam, E. saundersii, die al in februari (en soms al in december) onder iepen verschijnt, bij voorkeur waar iepen op zware klei groeien. De groep rond de harde voorjaarssatijnzwam, E. clypeatum verschijnt meestal rond eind april begin mei en blijft, onder gunstige omstandigheden tot juni te vinden.

Soorten: E. clypeatum (L) Kumm.; E. aprile (Britz.) Sacc. ; E. niphoides Romagn. ex Noordel. E. sepium (Noul. & Dass.) Richon & Roze; E. saundersii (Fr.) Sacc.

E. saundersii
E. saundersii
E. saundersii
E. niphoides

sect. Polita

In tegenstelling tot de vorige groepen is de habitus hier meestal slank en collybioid of omphalioid. De plaatjes zijn vaak breed aangehecht, of hebben de neiging tot aflopen op de steel. Ze zijn dunvlezig en hebben een ranke steel, die, en dat is het meest karakteristiek voor dit groepje, niet vezelig gestreept is maar glad, alsof het oppervlak is gepolijst. Ze groeien graag in moerasbosjes onder elzen en wilgen.

Soorten: E. politum (Pers.: Fr.) Donk; E. caccabus (Kühner) Noordel.; E. bisporigerum (Orton) Noordel.; E. engadium (Horak) Noordel.; E. anthracinum (Favre) Noordel.; E. cistophilum Trimbach; E. caeruleopolitum Noordel. & Brandt?Petersen; E. reaae (Maire) Noordel.; E. nausiosme Noordel.; E. fridolfingense Noordel. & Lohmeyer; E. lactarioides Noordel. & Liiv

E. politum1
E. politum [HK]
images/ent/entpolitum2
E. politum [HK]
E. politum3
E. politum [JV]
E. cistophilum
E. cistophilum [HK]
E. nausiosme
E. nausiosme [HK]

sect. Turfosa

Deze groep vormt een buitenbeentje, niet alleen in ondergeslacht Entoloma, maar in het hele geslacht. De habitus varieert van slank ridderzwam-achtig tot Collybia-achtig, en de meeste soorten zijn tamelijk klein. De sporen zijn niet alleen tamelijk klein, meestal tussen 6 en 8 µm lang, maar tevens heel dunwandig en zwak hoekig. Ze kleuren tamelijk intensief in katoenblauw (cyanofiel), in tegenstelling tot de dikwandige sporen van de meeste satijnzwammen. Scanning elektronenmicroscopisch onderzoek wijst hier in de richting van het type sporen zoals we dat bij de Zalmplaten (Rhodocybe) tegenkomen. Waarschijnlijk zal deze sectie in de toekomst op een geheel andere plaats in het systeem terecht komen

Soorten: E. turbidum (Fr.: Fr.) Quél.; E. pseudoturbidum (Romagn.) Noordel.; E. vinaceum (Scop.) Arnolds & Noordel. var. vinaceum; var. fumosipes Arnolds & Noordel.; var. violeipes Arnolds & Noordel.

E. turbidum
E. turbidum [JV]