Nederlandse naam (voorstel): Rauwsatijnzwam
macroscopie:
Hoed 42-60 mm, vrijwel vlak met een lage, brede umbo en naar binnen gebogen tot rechte rand
en met sterk golvende randzone, hygrofaan, kort doorschijnend gestreept aan de rand bij vocht,
donker grijsbruin, langs radiale strepen verblekend bij uitdroging, glad.
Plaatjes matig wijd uiteen, uigebocht aangehecht, vaak aderig verbonden,
weinig buikig, tot 5 mm breed, grijs met roze zweem in rijpe vruchtlichamen,
met onregelmatig gekartelde, gelijk gekleurde snede.
Steel 40-45 x 8-10 mm, cilindrisch, iets versmald naar de basis,
bleek geel met zilverwitte vezelige bekleding. Geur en smaak sterk naar meel.
microscopie:
Sporen 7.5-10 x (6.0-)6.5-8.5 µm, Q = 1.1-1.4, Qav= 1.2, subisodiametrisch tot matig heterodiametrisch,
onregelmatig 5-7-hoekig in zijaanzicht met relatief dikke wand. Basidia 20-45 x 7-11 µm, 4-sporig met gesp.
Lamelsnede heterogeen of bijna geheel steriel. Cheilocystidia 35-70(-90) x 2.5-6 µm, filiform-cilindrisch or koraalachtig bochtig, dunwandig.
Vlees and plaatjes en hoed regulair, opgebouwd uit korte, brede elementen 20-70(-90) x 10-20 µm.
Hoedhuid een dunne cutis of ixocutis van 2-7 µm brede, cilindrische hyfen; subpellis goed ontwikkeld, opgebouwd uit
korte, opgezwollen elementen, 20-70 x 14-35 µm. Pigment overvloedig, bruin, intracellulair. Gespen talrijk in het hele vruchtlichaam.
ekologie:
In klein groepje in een blauwgrasland op zware leemgrond.
verspreiding:
tot voorkort alleen bekend van de type-vindplaats in Noord Finland, recent ook in Nederland aangetroffen (Prov. Gelderland, Winterswijk, Willinks Weust, 10 Oct. 2003, N.Dam 03074 (L).