Entoloma: eigenschappen

INHOUD:
Entolomataceae
Entoloma
HABITUS:
tricholomatoid
mycenoid
collybioid
omphalinoid
crepidotoid
MICROSCOPIE
sporen en cystiden
hoedhuid
overgangstypen
pigmenten
trama structuur
gespen

links:  de studie van Satijnzwammen /  indeling /  overzicht nieuwe soorten / nieuwe Nederlandse vondsten

INLEIDING
De vormenrijkdom van de Satijnzwamfamilie is zeer groot. Dat maakt deze groep boeiend en tegelijkertijd moeilijk.

Je vindt er allerlei typen vruchtlichamen met een uiterlijk dat varieert van een klein schelpje op dood hout tot forse ridderzwam-achtige paddestoelen met hoeden tot 30 cm doorsnee die mycorrhiza vormend bij allerlei soorten bomen!
Op deze pagina wordt een definitie gegeven van de Satijnzwamfamilie met en korte karakteristiek van de geslachten. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de kenmerken die gebruikt worden om deze geslachten in te delen.

ENTOLOMATACEAE
de Satijnzwamfamilie

De satijnzwamfamilie kenmerkt zich door een unieke structuur van de sporewand. In massa zijn de sporen roze tot rozebruin. Op één uitzondering na hebben de sporen een oppervlakte structuur van verspreide wratten, lengteribbels, of een netwerk van ribben die sporen een hoekig aanzien geven onder het microscoop. De belangrijkste geslachten zijn


Zalmplaten (Rhodocybe): met wrattige tot knobbelige sporen
Meelkoppen (Clitopilus): met sporen die in de lengte geribd zijn
en Satijnzwammen: (Entoloma) met hoekige sporen


ENTOLOMA: algemene eigenschappen

Satijnzwammen hebben roze plaatjes en een roze tot rozebruine sporefiguur. De sporen zijn hoekig onder het microscoop

unterseite eines rötlings Sporenabwurf Sporen im mikroskop

HABITUS

tricholomatoid

RIDDERZWAM-ACHTIG of TRICHOLOMATOID
Het vruchtlichaam lijkt op dat van een ridderzwam: hoed en steel vlezig; hoed meestal gewelfd, vaak met een bult (umbo) in het centrum; plaatjes aangehecht, vaak uitgebocht; steel stevig, cylindervormig of naar de voet verbreed

Mycena-achtig of MYCENOID
De vruchtlichamen lijken op een Mycena: ze hebben meestal een klok- tot kegelvormige, dunvlezige hoed, small aangehechte tot bijna vrije plaatjes en een relatief lange, slanke steel. De hoed kan glad (zoals in veel soorten Nolanea of vezelig-schubbig zijn (inocyboid) zoals bij veel soorten Inocephalus of Leptonia

collybioid2

Collybia-achtig of COLLYBIOID
Hoed gewelfd met iets naar binnen gebogen rand, vaak iets ingedeukt in het centrum; plaatjes vaak breed, uitgebocht aangehecht of zelfs met een aflopend tandje; steel relatief lang en slank; hoedoppervlak glad (bijv. sectie Polita) of schubbig (in veel soorten Leptonia).

Trechterzwam-achtig of OMPHALINOID
Hoed gewelfd met iets naar binnen gebogen rand; meestal duidelijk ingedeukt in het centrum tot diep trechtervormig; plaatjes aflopend op de steel; steel vaak naar verhouding kort. Hoedoppervlak glad tot schubbig.

Schelpvormig of PLEUROTOID
Steel meestal sterk gereduceerd, zijdelings aangehecht of geheel ontbrekend; hoed meestal gewelfd.

SPOREN EN CYSTIDEN

SPOREVORM
1. isodiametrisch, 6-hoekig. 2. subisodiametrisch, 7-hoekig. 3. heterodiametrisch, 6-hoekig. 4. stervormig. 5. kubisch. 6. veelhoekig-knobbelig

sporenvorm

Microfoto's van sporen (© G. Gates & D. Ratkovsky)

A: cruciform, B: cuboid. C, D, E: isodiametrisch 5-6-hoekig

F: heterodiametrisch, 5-hoekig, G: heterodiametrisch, 6-hoekig, H: heterodiametrisch, (6-)7-hoekig, I: veelhoekig-nodulose

VORM VAN DE CYSTIDEN
1. cilindrisch. 2. knotsvormig (clavaat). 3. gesteeld bolvormig (sphaeropedunculaat) 4. bolvormig (vesiculose). 5. spoelvormig (fusiform). 6. flesvormig (lageniform). 7. breed flesvormig (utriform). 8. lecithiform. 9. tibiiform. 10. moliniform. 11. bochtig (flexueus). 12. knotsvormig met puntje (mucronaat). 13. gesnaveld (rostraat). 14. met knopje (capitaat). 15. gesepteerd


HOEDHUID UIT LIGGENDE HYFEN: CUTIS

Van links naar recht: cutis, ixocutis, hoedhuid met goed ontwikkelde subcutis

Hoedhuidtypen met opstijgende hyfen:

trichoderm ixotrichoderm hymeniderm calliderm

OVERGANGSTYPEN:
Overgangen tussen een cutis van liggende, en een trichoderm van opstijgende hyfen komen vaak voor

overg.1 overg2 overg3

PIGMENTEN

pigmente

PIGMENTEN
pigmenten kunnen op verschillende manieren zichtbaar zijn.

-op de wand van de hyfen als korsten en plakjes (geïncrustreerd)
-in de hyfen, opgelost in celsap of vacuole (intracellulair ook wel vaculolair)
-in de wand van de hyfen, zichtbaar als egaal gekleurde wanden (parietaal)
-let op dat er meer dan één type pigment aanwezig kan zijn!
---klik hier voor de mooie microfoto's van Genevieve Gates---

Structuur van het vlees (trama)

De structuur van het vlees (trama) van hoed en plaatjes kan per hoofdgroep aanzienlijk verschillen. de basis typen zijn:

-een structuur van korte, cilindrische tot opgzwollen elementen, bijv. 30-100 µm lang, en vaak iets tot duidelijk ingesnoerd aan de septae (ketens van worstjes). Typisch voor het ongeslacht Entoloma

-een structuur van relatief lange, spoelvormig elementen, 150 tot 300 of meer µm lang, typische voor het ondergeslacht Nolanea

Gespen

Het voorkomen van gespen speelt een grote rol bij de indeling van de satijnzwammen. het is van groot belang te weten of er gespen aanwezig zijn in het hymenium.
in veel gevallen zijn gespen moeilijk te vinden aan rijpe basidiën, maar zijn ze duidelijk zichtbaar aan de voet van jonge basidiën. Een goede hulp kan ook zijn het uiterlijk van de basis van de basidie. Bij gesploze soorten is die basis mooi afgerond, bij gespdragende soorten zie je vaak een lidteken aan de voet technieken-pagina)

schnalle schnalle basidia