Chalciporus, de Peperboleten, in Nederland


Inleiding

Chalciporus is een klein geslacht van boleten met overwegend kleine vruchtlichamen zonder velum met een gladde tot fijnwollige, niet kleverig hoed, een aangehechte tot aflopende buisjeslaag en sporen die in massa bruinrood zijn.

Uit Europa zijn vier soorten bekend, waarvan er twee (C. amarellus (Quel.) Bataille en C. hypochryseus (Šutara) Courtecuisse alleen in Centraal en Zuid Europa voorkomen.

Sleutel tot de soorten in Nederland

1. Poriën roodbruin; smaak scherp; sporen 6.5-11.0(-12.0) µm lang

Peperboleet, C. piperatus

1. Poriën levendig rozerood; smaak mild; sporen (5.5-)6.0-7.0(-7.5) µm lang

Robijnboleet, C. rubinus

1. Chalciporus piperatus (Bull.: Fr.) Bat. - Peperboleet

Kleurenplaten: Bon, Mushr. Toadst.: 45. 1987; Breitenbach & Kränzlin, Pilze der Schweiz 3: pl. 26. 1991; Courtecuisse & Duhem, Guide Champignons France Europe occidentale: 1632. 1994; Galli, Boleti: 139. 1998.

Beschrijving

Hoed 20-60 mm breed, eerst kegelvormig of halfbolvormig, dan gewelfd, met iets teruggeslagen of rechte rand, éénkleurig warm bruin tot kaneelkleurig (Mu. 7.5 YR 5-4/6 tot 10 YR 4-5/6-8, fijn aangedrukt wollig-viltig, dof. Buisjes aangehecht, recht tot zwak buikig, tot 14 mm lang, bruin (10 YR 4/4-3/6; 7.5 YR 4/4-6); poriën 1-2 per mm, hoekig, roodbruin, donkerder dan buisjes (7.5-5 YR 4/6). Steel cilindrisch, soms versmald naar voet, recht of bochtig, roodbruin, min of meer met dezelfde kleur als de hoed, maar geel aan de voet (7.5 YR 7/6; voet 5 Y 8/8), geheel aangedrukt vezelig tot wollig. Vlees roze-achtig in de hoed en bovenste helft van de steel (7.5 YR 7/6), knalgeel in steelvoet (5 Y 8/8-6). Geur onbeduidend. Smaak heel sterk gepeperd.

Ecologie en verspreiding

Mycorrizavormend met loof- en naaldbomen op voedselarme tot matig voedselrijke zand- of leembodem. Matig algemeen, vooral op de hogere zandgronden, in Zuid Limburg, in de duinen en in Flevoland.

2. Chalciporus rubinus (W.G. Smith) Singer - Robijnboleet

Kleurenplaten: Arnolds, Overzicht Paddestoelen van Nederland: pl. 2. 1995; Bon, Mushr. Toadst.: 45. 1987; Courtecuisse & Duhem, Guide Champignons France Europe occidentale: 1634. 1994; Galli, Boleti: 141. 1998.

Beschrijving

Hoed 50-85 mm, halfbolvormig tot gewelfd, later afgeplat, met zwak ingebogen, vaak enigszins gegolfde rand, jong geel- tot okerbruin, later okerkleurig, naar de rand meer oranjebruin (K&W 5B4-4B4, resp. 6CD8), viltig tot zeer fijn schubbig. Buisjes iets aflopend op de steel, recht tot zwak buikig, tot 7 mm lang, okeroranje (5C7); poriën rondachtig, rozerood (7B7). Steel 30-50 x 10-20 mm, taps toelopend, aan de top oker-oranje (6B6) en met lijstjes van aflopende poriën; naar onder steenrood (10D8) fijnkorrelig, aan de voet okergeel. Vlees in hoed tot 20 mm dik, stevig, bleek geel, onder de hoedhuid en boven de buisjes roze (9A5), chromaatgeel in de steelvoet (4A7), enkele plekjes iets groenblauw verkleurend bij kneuzing. Geur onopvallend. Smaak mild. Sporenfiguur in massa olijfbruin.

Ecologie en verspreiding

Mycorrizavormend met zomereik (Quercus robur) in lanen op klei. Zeer zeldzaam in het rivierklei gebied (Lunetten, Hardenbroek).

De Robijnboleet verschilt van de Peperboleet, zoals de sleutel al aangeeft, vooral in de rood getinte vruchtlichamen, vooral zichtbaar in de poriën, de milde smaak en de kleinere sporen. Aanvankelijk was de soort alleen bekend uit een parkje in Lunetten (Keizer, 1995), maar in het, voor mycorrizapaddestoelen zeer gunstige jaar 2000 is hij ook gevonden door Bert Tolsma op Hardenbroek.